OUVERTURE IN DEN HAAG

Onze reis begint eigenlijk op een zaterdag in Den Haag, 23 augustus 2003.
We spelen ‘Het weeskind en de Vogelvrouw’ voor vertrouwd publiek. Vooral voor trouw publiek, dat ook nog eens bereid is een extra euro af te staan voor het goede doel, waarover later meer. Zoals altijd sta ik ergens ‘‘terzijde’’ om het publiek te zien binnen komen. Zeer veel bekende gezichten. Sommige kan ik ook bij naam noemen. De tussengroep wordt gevormd door diegene waarvan ik de naam niet meer weet, maar die ik wel kan plaatsen. Een voorbeeld hiervoor is de euritmiste uit Zeist, waar we een paar maanden eerder dezelfde opvoering verzorgden. Ze is zowaar op de uitnodiging ingegaan! Toen we in Zeist aankwamen zijn we daar prima ontvangen. Ja, Prima is het correcte woord hiervoor. Correct, zakelijk en goed verzorgd. Er was goed met ons meegedacht, met wat er nodig zou zijn. Toen we na de voorstelling even zaten uit te blazen kwam Susanne – want zo heet de euritmiste – naar de kleedkamers en deelde met ons haar enthousiasme voor de voorstelling. Ze had de vele thema’s herkend die Lisette – onze verhalenmaakster – bij het euritmiseren in het verhaal had ingevlochten. Die twee hadden een bijzondere ontmoeting. Van de score ‘prima’ werd het opeens score ‘warm en enthousiast’. En Susanne was dus gekomen om het nog eens te zien. We waren allemaal warm verrast. Lisette Buisman, herschreef het verhaal van Herbert Hahn. Ze heeft door de jaren heen steeds de thema’s en verhalen gekozen - en bewerkt. Nu speelde ze de rol van de Vogelvrouw, maar was ook actief in korte (muziek)scènes. Met haar keuze voor de ruim 15 verhalen/thema’s die we met KlankKleur door de jaren hebben uitgevoerd, heeft ze een opbouw gerealiseerd die zowel voor het publiek, de euritmisten, de musici en de belichters een bij elkaar horende reeks vormt.
Een paar minuten voordat de voorstelling toch echt moest beginnen, komt onze eregast over het schoolplein van de Abbenbroekweg aangelopen. Duizend en één excuses voor zijn late komst. Ondanks zijn Zuid-Afrikaanse achtergrond heeft hij het warm en wordt vervolgens zonder omwegen ondergebracht naast Rudolf Mees, die eenstemmig door ons was verkozen als iemand aan wie je de representant van de Ambassadeur van Zuid-Afrika kunt toevertrouwen.
Rudolf Mees kwijt zich onmiddellijk van deze belangrijke taak en stelt de representant, waarvan ik de naam echt ben kwijtgeraakt, volledig op zijn gemak. Niet in de laatste plaats omdat hij hem even later alleen moet laten, om voor het voetlicht te treden en de fund-raising een stoot opwaarts te geven. Achteraf mogen we constateren dat hij daarin goed is geslaagd. We hebben een leuk bedrag ingezameld voor het goede doel in Zuid-Afrika.
Spelen in Den Haag is altijd wat bijzonders. Er zit extra spanning in de groep, “...want er zijn zoveel bekenden...” Meestal wordt dan niet vermeld, dat er onder de bekenden enige kritische geesten aanwezig zijn die zich een gediplomeerde mening over de euritmie veroorloven. De spanningsbron is dan hoe dit uitpakt.
Als de voorstelling na drie kleine inleidinkjes begint, zit ik – met mijn maat Raymond – achter in de zaal en zorg vanaf die plek via een lange draad naar het toneel voor de belichting. Dat gaat zo al jaren. Zo zijn wij als belichters degenen, die de Vogelvrouw verreweg het vaakst hebben zien optreden, met al haar zorgen rond het Weeskind. Over iedere voorstelling hebben we dan ook een mening, al is deze niet gediplomeerd.
Na de voorstelling wisselen we uiteraard meningen uit met ‘achter’. We zijn het eigenlijk alleen maar met elkaar eens als we een uitzonderlijk goede voorstelling neerzetten. De extra kwaliteit van zo’n gebeurtenis is dan zo voor iedereen duidelijk voelbaar en zichtbaar. Als dit, op zich uitzonderlijke niveau niet gehaald wordt dan zijn ‘wij van de zaal’ veel positiever dan ‘achter’. Als euritmist heb je er last van als de afspraken die je met jezelf of met andere euritmisten maakt niet worden nagekomen. Dat je te vroeg of te laat op komt, dat je ceintuur achterste voren zit of dat je de verkeerde jurk had aangetrokken en nu tweemaal moest verkleden. Het publiek ziet dat niet, en ‘wij van de zaal’ ook niet. Vroeger toen onze draad naar het toneel niet zo lang was, zaten we regelmatig tussen de decors te belichten en kregen onze portie onrust volledig geserveerd. Een goed toneel heeft evenveel, zo niet meer ruimte buiten het speelvlak, als voor het speelvlak zelf. En met reden! Want buiten het speelvlak gebeurt minstens evenveel als dat wat het publiek te zien krijgt.
Kortom ik vind de voorstelling zeer goed verlopen en ‘achter’ wordt luidkeels gemopperd. Door de vele bekenden is er ook veel gelegenheid tot napraten. Een gezellige boel met een bovenspanning voor het aanstaande vertrek naar Zuid-Afrika. Deze voorstelling is het sein dat we echt gaan. Voor de voorstelling heeft het ook nog eens geklonken in de korte toespraakjes. Dat gaf al een beetje onontkoombare zekerheid. Maar nu de ‘laatste Nederlandse voorstelling’ er op zit, gaat het echt gebeuren en stappen we ook over op de Engelstalige versie. Voor zowel verteller als voor euritmisten een niet geringe opgave. Voor belichters lijkt dat eenvoudiger. Maar daarin ben ik mezelf in het verleden al eens tegengekomen.
Toen ik voor een half jaar naar Zuid-Afrika werd uitgezonden, nam ik opgewekt een setje schildersattributen mee. Ik had – naast een Vrije School opleiding – wel een beetje ervaring, maar niet te veel. In ieder geval weinig genoeg om gewoon aan de slag te gaan. Maar het werd me binnen tien minuten duidelijk dat het niet ging. De vormen gingen wel, maar de kleuren wilden niet.


Het heeft mij destijds op het pad gebracht van veel kleine gesprekjes en ontdekkinkjes over de kleuren van Zuid-Afrika. In de ruim 50 zwarte talen die in Zuid-Afrika worden gesproken kan je alle basis kleuren een naam geven. Maar rood is rood en blauw is blauw. In die talen zijn weinig schakeringen aan te brengen voor rood en blauw. Voor bruin kennen wij een aantal schakeringen in het Nederlands, zoals licht- en donkerbruin, crème, mauve, isabella, maron etc. Maar dat is niets vergeleken bij de vaardigheid van de zwarte talen om de schakeringen van bruin weer te geven. Als je door het land reist krijg je een beetje indruk van die bruingeschakeerde aardewereld. En als je dan ook nog van die aarde moet leven en die goed wil verzorgen, dan kijk je wel driemaal beter om te zien of de aarde al wat donkerder (vochtiger) kleurt dan voorheen. Iedere schakering heeft dan zijn betekenis. Het Nederlandse spreekwoord: “Hij heeft geld als water” wordt in Zuid-Afrika verkeerd om uitgelegd. Water is een zeer kostbaar bezit. In de droge streken wordt iedere druppel die uit de hemel valt opgevangen. En waar geen of weinig water is, is het bruin in een van de vele schakeringen. En dan is er nog de zon, die veel dichter bij de evenaar staat dan wat wij gewend zijn. De snelle zonsop- en ondergangen horen daarbij. De steile klim naar het noorden is altijd bij mij blijven wringen. Ik had vijftig jaar de zon z’n hoogste punt in het zuiden zien bereiken, en nu zomaar in het noorden. En wat de zaak nog meer compliceert is dat de zon wel gewoon in het oosten opkomt en in het westen ondergaat. Op het dakterras van mijn flatje heb ik destijds vele malen de intellectuele oefening volbracht van zonsopgang, naar het hoogste punt in het noorden en vervolgens zonsondergang in het westen. Maar een verdieping lager bleef het wringen. En dan is de lichtintensiteit zoveel heviger. Scherper licht, onbarmhartiger licht, hete zonneschijn. Altijd zoeken naar schaduw. En dat deden de lokale schilders ook. Ik sprak een kunstenares op de Max Stibbe Ubuntu School tijdens de twee wekelijkse markt die daar werd gehouden. In haar werk zag ik plotseling de uitwerking van mijn eigen probleem met de kleuren. Ze had zoveel zwart gebruikt dat het harde licht weer zichtbaar werd. Alle kleuren met zwart versterkt. Ik vond het niet mooi, maar begreep het wel. Dat was februari 1993, een Afrikaanse zomer tijdens een Nederlandse winter.

Nu ging ik weer terug in augustus 2003, de Afrikaanse winter tijdens een Nederlandse nazomer.

lees verder...