PRETORIA – JOHANNESBURG

Na dit absolute hoogtepunt van de vliegreis zijn de stewardessen zuur en het comfort beperkt. ‘s Morgens om een uur of zeven staan we met onze koffers in de aankomsthal van Johannesburg en worden verwelkomd door Oneira van de Ubuntu school, even buiten Pretoria.
We sjouwen ons een breuk aan de extra attributen die we nodig hebben. Wim, onze pianist is het beste af, gevolgd door Froukje, de fluitiste van ons gezelschap. Froukje Wiebenga en Wim Voogd zijn de musici die naast hun prachtige uitvoeringen tijdens de voorstelling, ons vaak trakteren op extra muziek tijdens de voorbereidingstijd. Froukje heeft haar dwarsfluit altijd dichtbij zich, waar we ook gaan of staan. Wim is deze keer voor het eerst in ons gezelschap opgenomen. Maar dat valt nergens aan te merken. Hij heeft onmiddellijk zijn plaats gevonden en trekt veel op met Froukje. In hun spel - dwarsfluit en piano - is dat te horen.
Er wordt over en weer goed geholpen om de lasten te verdelen. De schoolbus van de Ubuntu School staat voor ons klaar. Alles gaat er in. We rijden in Zuid-Afrika. De komende dagen is de Ubuntu school onze uitvalsbasis. We geven er ook voorstellingen. Daarom wordt uitgeladen bij de zaal. Raymond en ik gaan met de bus terug naar Johannesburg, naar het bedrijf waarmee ik afspraken heb gemaakt over de huur van belichtingsapparatuur.
We worden zeer vriendelijk ontvangen, door John Harrison en Robin Wilture. Robin is de meest technische van de compagnons, we gaan met hem het magazijn in om een definitieve keuze te maken. Ik heb mijn eigen vertrouwde regeltafel meegenomen (de Angel van Theater Technisch Lab), meer was niet mogelijk. We moeten een dimmerpack hebben en lichtarmaturen. De discussie gaat over onze wensen en de mogelijkheden die we kunnen realiseren met de beperkte stroomvoorzieningen, waar we mee moeten rekenen. Het zal hier wel niet anders zijn dan in Nederland. Altijd te weinig stroom om aan al onze wensen te kunnen voldoen.
Maar Robin legt ons het Zuid-Afrikaanse systeem uit: ieder huis, iedere zaal heeft krachtstroom, die ook toegankelijk is voor de goedwillende amateur. Hij toont ons de kast in zijn eigen magazijn en hoe de aansluiting gemaakt moet worden met de mee te leveren krachtstroomkabel. Een fluitje van een cent. Opgelucht maken we ons wensenlijstje af, fronsen nog een keer over het budget en hakken de knoop maar door. Dan moeten we nog een soortgelijk adres hebben in Kaapstad. Hebben jullie daar een dependance, is mijn vraag. Nee, maar waarom stuur je de apparatuur niet op als luchtvracht. We kijken wat ongelovig naar elkaar en dan naar Robin. Maar hij legt ons een heel redelijk tarief voor, en garandeert ons de verzending door zijn zorgen. Alleraardigst. We zijn geroerd door zijn hulpvaardigheid, laden onze spullen in en – nadat er uiteraard eerst betaald is – rijden we terug naar Ubuntu. Daar treffen we de rest aan in opperbeste stemming. Sommigen deden een klein slaapje en zagen er nog mooier uit dan ze al waren.

We zijn ondergebracht in het hospitium van het scholencomplex. Het terrein beslaat honderden hectaren, en daarover verspreid staan verschillende schoolgebouwen, de zaal, woningen, service gebouwen voor restaurant doeleinden, garages en schuren en ook het hospitium. Het is nauwelijks meer voor zijn eigenlijke doel in gebruik. In de tijd dat er meer leerlingen waren, en er ook een kostschoolsysteem voor weekdagen in zwang was, werd het hospitium veelvuldig gebruikt. Nog is alles aanwezig, maar slechts incidenteel gebruikt. Nu kunnen we met de hele groep van twaalf hier worden ondergebracht. Een heerlijk punt, een beetje hoger gelegen waardoor je wat meer uitzicht hebt. Nauwelijks enige andere bebouwing te zien. Natuur allerwegen.

Als we de andere morgen in de vroegte naar buiten stappen heeft het gevroren. Witte rijp op het gras markeert de vochtige plekken. Een watervat dat hoog op een stellage voor ons drinkwater zorgt, lekt zachtjes en vormt prachtige ijsvormen, daar waar het water de grond of takken raakt. Naar Afrikaanse maatstaven is het “bitter koud”. Ongeveer twee graden onder nul. Maar de zon heeft grote invloed op de temperatuur. Binnen een uur is het tien, twaalf graden. ’s Middags is het lekker warm.
Annelie is de ontwerpster, de bouwster en de bewoonster van het hospitium. Ik heb haar hier ook in 1993 ontmoet. En toen was ze er al een groot aantal jaren. Ze is onze gastvrouw als het op een late maaltijd of vroege ontbijten aankomt. Ze weidt ons in in de geheimen van de Zuid-Afrikaanse pap en al die andere kleine verschillen en gewoontes die van land tot land en van streek tot streek verschillen. Op een van de avonden, waar we de tijd voor een rustige kop thee hadden, vraagt Lisette of Annelie ons een Zuid-Afrikaans gedicht kan voordragen. Ze haalt even diep adem en zegt dan een prachtig gedicht op. De taal die ons van de oorsprong zo verwant is, klinkt in het gedicht toch wel heel bijzonder. Het gaat over wuivend gras, dat opsteekt tussen andere lage begroeiing, de wind, de beweging en het geluid daarvan. We luisteren gefascineerd naar deze natuurbeschrijving. De eerbied voor de natuur klinkt zeer helder door.

De zaal van de Ubuntu school ligt een kilometer of twee van ons hospitium. We gaan dus met het busje. Er moet ook nog van alles mee. Kostuums, maskers, mutsen pruiken en draken. De zaal is zo goed als vierkant, en afgezien van stoelen, banken en een vergeten harmonium in de hoek volledig kaal. Dit soort zalen hebben we eerder “behandeld”. Maar de grootste complicatie is hier het gebrek aan een kleedruimte. De vele verkleedpartijen tijdens de voorstelling vergen een ruimte liefst op het toneel, of vlak daarbij. Dit wordt een probleem. Hier is nauwelijks een schot te construeren. Naast het vergeten harmonium is een deur naar buiten. Als we die opendoen komen we op een half afgeschoten binnenplaatsje uit. Aan twee kanten begrensd door gebouwen, de andere twee zijden staan hekken. Maar het weer is zo heerlijk, en de stabiliteit is zo groot dat we besluiten de kleedkamer “buiten” in te richten. Het harmonium wordt verontrust met een duw, nog verder de hoek in, en buiten komen de kledingrekken, strijkijzers en planken. Binnen in de zaal zoeken we naar de wonderdoos waar de krachtstroom uit zal komen. Al gauw blijkt dat die kast er wel is, maar op 200 meter in een ander gebouw. Zoveel krachtstroomkabel hebben we niet meegekregen. We vallen dus terug op bekende beperkingen, waarbij we moeten uitzoeken hoe de stroom over de verschillende stopcontacten en groepen is verdeeld, teneinde er nog wat licht uit te persen. Dit probleem komen we voortaan overal tegen waar we optreden. We hebben de helft van de gehuurde apparatuur dan ook voortijdig ingeleverd bij de verhuurder, omdat we het toch niet konden aansluiten bij gebrek aan voldoende elektrische energie. Jammer.

We geven twee keer een voorstelling in deze zaal. De reacties van het publiek zijn enthousiast. De kinderen geven de meest rake karakteriseringen als ze eenmaal praten. De leerkrachten spreken een andere taal. Ze zijn geroerd en herkennen vaak de culturele achtergrond, van waaruit het sprookje is geschreven. Dat maakt soms diepe gevoelens wakker. Kleine gesprekjes bij het uitgaan, geven even zovele kleine aanknopingspuntjes. Het is als het knopen van een tapijt. Na veel knoopjes herken je een patroon.
Een voorstelling met een heel andere karakter was in Crescent House, een instelling voor geestelijk gehandicapten van 18 jaar en ouder, in Halfway House (tussen Pretoria en Johannesburg). De mensen zijn allerhartelijkst en proberen ons op allerlei manieren te helpen. Er is een kleedkamer ingericht met strijkijzers en planken, er staat thee en koffie klaar en voor ons technici belangrijk, er is iemand die ons kan wegwijs maken met de technische faciliteiten van de zaal.
De zaal is groot en rond, met een brede rand rondom, die net een trede hoger is als het grote middendeel van de zaal. We kiezen een muur om als achtergrond te dienen en richten vervolgens op basis van die achtergrond de rest van het “toneel” in. Vooral de traptrede levert een extra zorg op. Er zijn een paar scènes waar zo’n traptree heel moeilijk is te nemen. Cori de Leeuw – speelt de leeuw – en moet achterwaarts af. Dat is zonder traptree al lastig genoeg. Ook voor de draak die we ten tonele voeren is de traptree een groot obstakel. Nicolette, Daniela en Cori vormen het monster. Het is een echte driekoppige draak met drie willen. En ook nog een trap tree om in toom te houden. Er wordt van te voren goed geoefend met dit extra obstakel. Dankzij de oefeningen en de extra aandacht, levert de traptree geen problemen op. Een oefening op zich.
Nicolette Daum, schittert in een rol waarin ze onherkenbaar is: de kop van de draak. Samen met Daniela en Cori zo’n draak op de planken zetten is een gecompliceerde opgave. We hebben de draak gedurende het tournee zien veranderen, zowel naar uiterlijke kenmerken, als ook in haar samenhang. Nicolette speelt elders in het verhaal een klein vogeltje dat zich heeft verstrikt en probeert los te komen. Daar was ze beter te herkennen. In de grotere vormen, zoals die bij muziekstukken voorkomen vind ik haar het meest in haar element, met een prachtige ruimtevullende beweging.

Tijdens de voorstelling overschrijden we driemaal de mogelijkheden van het elektrisch systeem. Dat betekent dat driemaal het toneellicht uit gaat. Vervolgens eerst gas terug nemen, lopen naar de meterkast en de overbelaste groepen weer “aanzetten” en voorzichtig weer een beetje meer licht vragen. Bij de derde keer weten we exact waar onze grens ligt. Een vierde keer kunnen we omzeilen. Als technicus krijg je het warm van dit soort momenten, die je toch als een misser ervaart. Zo niet het publiek. Dat neemt het verhaal zoals het komt, in licht en duisternis, met en zonder kunstlicht. Gelukkig was het buiten nog niet helemaal donker en de verduistering van de zaal niet op orde. Zo wordt de continuïteit van de voorstelling gered door de imperfectie van de technische voorzieningen.
Als we meer tijd zouden hebben om een zaal in te richten en onze techniek aan te sluiten, dan kan je dat ruim voor de voorstelling uitproberen. Dat is me één keer gelukt toen ik in het gebouw van de Antroposofische Vereniging in Johannesburg de tijd had om een paar uur alle lichtstanden te testen, zowel op kleur en intensiteit als ook op “haalbaarheid” voor het elektrische net. Daar heb ik wel twintig keer voor nodig gehad om er alle lichtstanden maximaal uit te persen. En nog ging alle licht uit bij de eerste maten van de voorstelling. Maar dat kwam omdat het zaallicht niet volledig was uitgedraaid. De restenergie die het zaallicht vroeg veroorzaakte deze uitval. Toen het zaallicht volledig uit was waren de problemen volledig over. De grens was kennelijk erg scherp getrokken.
De avond in Crescent House werd besloten met een gezamenlijke maaltijd, met alle bewoners en begeleiders. Een sfeervolle afsluiting met erg veel hartelijke mensen. Ieder huis had zich uitgesloofd om lekkere hapjes te maken. Ze waren er ook erg trots op. Voor de koks en de bakkers lag er een moeilijk moment; want hoe toon je je heerlijke kunstwerken terwijl je weet hoe lekker ze zijn. Aan wie kan je al dat schoons laten zien als het al is opgegeten. De praktijk was dat de hapjes steeds door een andere groep werden opgegeten, zodat niemand hartzeer hoefde te hebben over “zijn” kunstwerken.

lees verder...